Delen op facebook

Fiscale Faciliteiten voor Scholing van Werknemers in 2010

Auteur mr. M.A.C.M. van Peer
Functie Belastingadviseur Adviesgroep Loon- en Premieheffing
Organisatie BDO Accountants & Belastingadviseurs B.V.

De juiste kennis is voor werknemers van groot belang om optimaal te kunnen presteren in hun werkomgeving. Deze kennis kan worden verkregen door ervaring, doch scholing is hierin de eerste stap. Vanwege de dynamiek op de meeste vakgebieden is naast de primaire scholing regelmatige bijscholing wenselijk. Het is voor  werkgevers dan ook een verplichting om te (blijven) investeren in de (bij)scholing van de werknemer. Daarnaast is een goed scholingsbeleid ook een aantrekkelijke arbeidsvoorwaarde voor werknemers.

 

Om werkgevers enigszins financieel tegemoet te komen in de scholingskosten, en hiermee het aanbieden van scholing te stimuleren, gelden er enkele fiscale faciliteiten. Voor 2010 gelden in de fiscaliteit thans nog de volgende twee “subsidiabele” regelingen voor onderwijs/ scholing. De eerste is de individuele aftrek voor werknemers in de inkomstenbelasting, en de tweede is de vermindering van de af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen voor werkgevers  (afdrachtvermindering onderwijs).

 

I. Inkomstenbelasting: aftrek scholingsuitgaven

Indien een werknemer een studie of opleiding volgt met het oog op het (toekomstig) verwerven van inkomen, en de werkgever de kosten van deze studie niet vergoedt of hij hiervoor geen tegemoetkoming op een andere wijze ontvangt (bv. studiefinanciering of een vergoeding van de werkgever), kan hij deze uitgaven in mindering brengen op zijn belastbaar inkomen. Een aftrek wordt slechts toegekend voorzover de scholingsuitgaven in een kalenderjaar meer bedragen dan het drempelbedrag van € 500 (2010) en niet meer bedragen dan € 15.000 (2010). Op de bovengrens van € 15.000 bestaat een tweetal uitzonderingen. Zo mag in het kalenderjaar waarin een toegekende prestatiebeurs definitief niet is omgezet in een gift, het bedrag van € 15.000 worden verhoogd met dit bedrag. Daarnaast is het bedrag van € 15.000 niet van toepassing tijdens de zogenoemde standaardstudieperiode. De standaardstudieperiode is een periode die maximaal 16 kalenderkwartalen kan omvatten. De werknemer dient deze zelf aan te geven en aan de navolgende voorwaarden te voldoen:

  • De werknemer is 18 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar;
  • De werknemer dient de voor zijn werkzaamheden beschikbare tijd voor 50% of meer te besteden aan een opleiding waardoor er daarnaast geen volledig

werkkring mogelijk is.

 

Indien er recht bestaat op studiefinanciering, dan kunnen in beginsel alleen bepaalde normbedragen in aftrek worden gebracht. Deze normbedragen bedragen voor een studerende in het beroepsonderwijs € 50 per maand (2010), vermeerderd met het normbedrag aan de tegemoetkoming in de kosten van het lesgeld. Voor een  studerende in het hoger onderwijs bedragen deze normbedragen € 57 per maand (2010), vermeerderd met een normbedrag van 1/12 deel van het collegegeld. Indien deze kosten meer bedragen dan 2 maal de hiervoor genoemde normbedragen, dan mogen de werkelijke kosten in aftrek worden gebracht voorzover deze boven de genoemde normbedragen uitstijgen. Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voorzover er een prestatiebeurs is toegekend die in een gift is omgezet.  Wordt een prestatiebeurs niet omgezet in een gift, dan mogen deze kosten op dat moment ook als scholingsuitgaven in aanmerking worden genomen.
Daarnaast bestaat nog de mogelijkheid om kosten die in het kader van een procedure Erkenning Verworven Competenties (EVCprocedure) zijn gemaakt in mindering te brengen op het inkomen. Zo’n procedure, waarvoor een verklaring is afgegeven door een door de overheid aangewezen instantie, moet er toe leiden dat personen die  (aanvullende) kennis hebben opgedaan buiten school hiervoor een diploma kunnen verkrijgen. Voor deze kosten mag ook een bestaande spaarloonregeling worden  gedeblokkeerd.

 

II. Afdrachtvermindering onderwijs

De afdrachtvermindering onderwijs ziet op een directe vermindering van de af te dragen loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen). Deze fiscale faciliteit is dan ook een directe financiële tegemoetkoming voor de werkgever. De afdrachtvermindering onderwijs geldt echter alleen voor enkele specifiek benoemde vormen van scholing, en dus niet voor alle vormen van scholing. Hierna zullen we eerst de algemene vereisten en de hoogte van de afdrachtvermindering onderwijs bespreken. Daarna zullen we de vormen van scholing met hun specifieke vereisten de revue laten passeren.

 

Algemene vereisten

De afdrachtvermindering onderwijs bedraagt een vastgesteld bedrag per soort opleiding per werknemer per kalenderjaar. Het genoemde bedrag is van toepassing bij  een fulltime werknemer, zijnde een werknemer welke ten minste een arbeidsduur heeft van 36 uur per week. Voor werknemers met een kortere arbeidsduur wordt de tegemoetkoming evenredig verminderd.
De tegemoetkoming wordt, met uitzondering van de EVC-procedure, evenredig over de loontijdvakken in het jaar verdeeld. Deze afdrachtvermindering kan echter nooit leiden tot een terug te ontvangen bedrag aan loonheffing in enig tijdvak. Ook mag in dat geval de vermindering niet worden doorgeschoven naar een ander tijdvak.

 

De scholingsvormen kwalificeren voor de afdrachtvermindering onderwijs, en het daarbij behorende maximaal bedrag aan afdrachtvermindering, zijn als volgt:

  1. Beroepspraktijkvorming volgens de beroepsbegeleidende leerweg (mbo) € 2.706
  2. Stages beroepsopleidende leerweg (mbo 1- en 2-niveau) € 1.299
  3. Leer-werktraject (vmbo) € 2.706
  4. Assistent in opleiding/ onderzoeker in opleiding (universitair/hbo) € 2.706
    Promotie-onderzoek (universitair) € 2.706
    Duale leerweg bij hogeschool (hbo) ‑ € 2.706
    Procedure Erkenning Verworven Competenties € 325
    Onderwijs in het kader van verhoging opleidingsniveau € 500

 

Op grond van de hoofdregel mag de afdrachtvermindering niet worden toegepast voor een echte stagiaire, uitzondering geldt hierbij echter voor de onder punt 2, 3 en 7 genoemde vormen van scholing. Voor de scholing vermeld onder punt 1 en 5 geldt een aanvullende voorwaarde voor werknemers jonger dan 25 jaar. Deze voorwaarde is dat het loon niet meer mag bedragen dan 130% van het minimumloon (2010: € 23.507 fulltime per kalenderjaar).

 

Ad. 1 Beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg (mbo)

De eerste gefacilieerde scholing is die voor de praktijkopleidingen op mbo-niveau. Deze opleidingen worden volgens twee methodes aangeboden. Ten eerste  beroepsbegeleidend en ten tweede beroepsopleidend. De afdrachtvermindering onderwijs geldt vanaf 1 januari 2007, onder voorwaarden, voor beide methodes. Voor de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) geldt deze als volgt. De BBL is een vorm van opleiding waarbij de werknemer vier dagen werkzaam is bij een werkgever, en één dag scholing volgt. Alle BBL-opleidingen welke door de verscheidene opleidingsinstituten worden aangeboden zijn geregistreerd in het zogenoemde Crebo-register. Is de opleiding niet geregistreerd, dan bestaat ook geen recht op afdrachtvermindering.

Voor deze vorm van scholing geldt een aanvullende voorwaarde voor de afdrachtvermindering. Om deze te mogen toepassen, dient de werkgever te beschikken over  een beroepspraktijkvormingsovereenkomst. Dit is een overeenkomst getekend door de werknemer, de school, de werkgever en het landelijk orgaan beroepsonderwijs. De overeenkomst bevat informatie over het soort opleiding, het niveau (mbo-opleidingen kennen 5 niveaus) en de duur van de opleiding. Het niveau is in deze belangrijk  voor een mogelijke verhoging van de afdrachtvermindering. Indien namelijk een werknemer die vanuit een werkloosheidssituatie in dienst is gekomen een BBL-opleiding gaat volgen op niveau 1 of 2 (startkwalificatie), dan bestaat recht op een verhoging van de afdrachtvermindering. Deze verhoging bedraagt maximaal € 3.247 per  kalenderjaar (fulltime), zodat de totale afdrachtvermindering voor deze werknemers dus maximaal € 5.953 per kalenderjaar kan bedragen.

 

Ad. 2 Stage beroepsopleidende leerweg (mbo 1- en 2-niveau)

Indien een werkgever een stage aanbiedt aan een scholier welke een opleiding volgt volgens de beroepsopleidende leerweg op mbo 1- of 2-niveau, komt deze werkgever in aanmerking voor de afdrachtvermindering. Hierbij geldt wel dat de stage minimaal een periode van 2 maanden moet bedragen. Daarbij moet er tevens een getekende beroepspraktijkvormingsovereenkomst aanwezig zijn.

 

Opgemerkt moet nog worden dat de wettekst inmiddels zodanig is aangepast dat hierin expliciet wordt opgenomen dat in het kader van de afdrachtvermindering onderwijs de beroepsbegeleidende leerweg (hierna: BBL) en die van de beroepsopleidende leerweg (hierna: BOL) niet kunnen cumuleren. Het betreft hier een verduidelijking en wel omdat op basis van de definities die in de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake de BBL en BOL zijn opgenomen cumulatie zondermeer is uitgesloten.

 

Ad. 3 Leer-werktraject VMBO

VMBO-leerlingen kunnen in het kader van hun praktijkopleiding in het 3de of 4de jaar ervaring opdoen bij een bedrijf. Indien een bedrijf zo’n leerling, al dan niet in  dienstbetrekking, plaatst voor deze buitenschoolse praktijkopleiding, bestaat recht op de afdrachtvermindering. Opleidingen met leerwerktrajecten zijn onder andere administratie, handel en metaaltechniek.

 

Ad. 4 Assistent in opleiding/onderzoeker in opleiding (universitair)

Dit betreft personen welke na afronding van hun universitaire c.q. hbo-opleiding tijdelijk worden aangesteld om zich verder te bekwamen tot wetenschappelijk  onderzoeker of technologisch ontwerper. Deze aanstelling mag plaatsvinden bij vier organisaties. Deze vier organisaties zijn: een universiteit, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen of een onderzoeksinstelling die onder de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, dan wel de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen valt. Er vindt hier een rechtstreekse aanstelling  plaats bij een van de hiervoor genoemde organisaties, maar de financiering van de loonkosten geschiedt door een privaatrechtelijkerechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepastnatuurwetenschappelijk onderzoek (TNO). Voor een fulltime werknemer (36 uur) bestaat maximaal 48 maanden recht op deze afdrachtvermindering. Voor mensen met een kortere arbeidsduur wordt deze periode naar evenredigheid verlengd.

 

Ad. 5 Promotie-onderzoek (universitair)

Hier betreft het personen die een universitaire studie hebben afgerond. Indien zij in het kader van hun dienstbetrekking bij een privaatrechtelijke rechtspersoon, dan wel bij TNO een promotie-onderzoek gaan verrichten, bestaat recht op de afdrachtvermindering. Deze faciliteit beoogt dan ook promotie-onderzoek door eigen werknemers  te stimuleren. Deze regeling geldt enkel voor bedrijven, TNO en overige privaatrechtelijke rechtspersonen, en kan dus niet ten goede komen aan universiteiten of andere overheidsinstellingen. In dit kader moet worden opgemerkt dat het dienstverband tijdens het promotie-onderzoek moet bestaan. Een bedrijf kan dus ook een tijdelijk dienstverband aan gaan, enkel in het kader van een promotie-onderzoek ten faveure van de onderneming. Ook op deze afdrachtvermindering bestaat maximaal 48  maanden recht voor een fulltime werknemer.

 

Ad. 6 Duale leerweg bij hogeschool (HBO)

Om de relatie tussen leren en werken te versterken is deze faciliteit voor leer-werktrajecten bij het hbo in het leven geroepen. Deze afdrachtvermindering ziet dan ook op werknemers die werken en leren combineren in het kader van hun hbo-opleiding (bv. coöpopleiding accountancy). Er dient in deze dan wel een samenhang te zijn tussen de werkzaamheden en de gevolgde opleiding. Deze afdrachtvermindering ziet enkel op duale leerwegen voor specifiek benoemde bedrijfssectoren. Deze benoemde bedrijfssectoren bevinden zich op het technische gebied, het commerciële gebied en in de zorg.
Om de samenhang tussen studie en werk te waarborgen zal er een zogenoemde onderwijsarbeidsovereenkomst moeten worden opgesteld. Deze overeenkomst  bevat gegevens inzake de invulling van het onderwijsprogramma, de eindkwalificatie, een functie-inhoud en een invulling van de werkzaamheden in relatie tot de opleiding. De omvang en verhouding tussen werk en studie is niet vooraf vastgelegd, maar kan in overleg worden ingevuld.

De maximale duur van de afdrachtvermindering bedraagt voor een fulltime werknemer 24 maanden. Voor werknemers met een korter dienstverband wordt deze periode naar evenredigheid verlengd.

 

Ad.7 Eerder verworven competenties (EVC)

Indien een werkgever voor een of meerdere van zijn werknemers een EVC-procedure bekostigd, komt deze werkgever in aanmerking komt voor de  afdrachtvermindering van € 325 per procedure. Voorwaarde is wel dat voor de EVC-procedure een verklaring is afgegeven. De uitleg van de EVC-procedure is gelijk aan die voor de aftrekmogelijkheid in de inkomstenbelasting.

 

Ad.8 Onderwijs in het kader van verhoging opleidingsniveau

Per 1 januari 2010 is een nieuwe vorm van afdrachtvermindering geïntroduceerd: de afdrachtvermindering voor verhoging van het opleidingsniveau van de werknemer. Er bestaat recht op deze afdrachtvermindering als aan de volgende vier voorwaarden wordt voldaan:

  • De werknemer start in 2010 met een opleiding die relevant is voor zijn huidige of een toekomstige functie. Er moet dus een duidelijk verband zijn tussen de opleiding en het werk dat de werknemer al doet of gaat doen;
  • De opleiding moet de werknemer op een hoger opleidingsniveau brengen. Bijvoorbeeld een werknemer met een mbo-niveau die een opleiding volgt tot hbo-niveau of een werknemer met een hbo-niveau die een opleiding volgt tot wo-niveau. Ook een hoger niveau binnen een beroepsopleiding is mogelijk, bijvoorbeeld van een mbo 2-niveau (startkwalificatie niveau) naar een mbo 3-niveau, of het volgen van een master na een bacheloropleiding.
  • De werkgever betaalt minimaal 50% van de opleidingskosten;
  • Er kan voor deze opleiding gelijktijdig geen andere afdrachtvermindering worden toegepast behoudens de afdrachtvermindering voor het ervaringscertificaat (EVC). Deze afdrachtvermindering zou bijvoorbeeld wel aan kunnen sluiten op een eerder verkregen afdrachtvermindering voor het op startkwalificatieniveau brengen.

Het bedrag van deze afdrachtvermindering is bepaald op eenmalig € 500 per werknemer bij de start van de betreffende opleiding. Deze maatregel heeft een tijdelijk  karakter voor de duur van een jaar en komt per 1 januari 2011 weer te vervallen.

Op zoek naar een opleiding?
Vind gemakkelijk en snel de opleiding die bij u past, door hieronder een selectie te maken: