Masteropleidingen en de Publieke Sector: langs Nieuwe Kaders naar Vernieuwd Inzicht
| Auteur | prof. dr. P.H.A. Frissen, prof. dr. M.J.W. van Twist en drs. M. van der Steen |
| Organisatie | NSOB |

In deze editie van The Official Master Guide, Professional & Executive Edition treft u een gevarieerd aanbod aan opleidingen aan. Het is onze ervaring dat vooral voor professionals uit de publieke sector de keuze lastig is: niet alleen vanwege het overweldigende aanbod aan opleidingen en de ongelijksoortigheid ervan, maar ook vanwege het dubbelzinnige karakter van de publieke sector zelf. Zonder beantwoording van de vraag ‘hoe bijzonder is de publieke sector eigenlijk?’ is het eigenlijk niet mogelijk om de vraag te stellen ‘welke opleiding is passend voor de professionals die in of rondom de publieke sector werkzaam zijn?’ In deze bijdrage zullen we de eerste vraag kort beantwoorden waarna we snel doorsteken naar de tweede vraag. We zullen hierbij proberen om de lezer aangrijpingspunten te bieden om een eigen antwoord op beide vragen te formuleren. Op die manier hopen we deelnemers te kunnen helpen bij het maken van een gefundeerde opleidingskeuze, temidden van het brede en rijk geschakeerde spectrum van opleidingsmogelijkheden.
Een publieke sector in beweging
Het is onze diepe overtuiging dat de publieke sector wezenlijk anders is dan de private sector: the public and private sector are fundamentally alike, on all irrelevant aspects. Waar het de kern van de publieke sector betreft, de publieke zaak en het adequaat behartigen van publieke belangen, geldt nu eenmaal een andere logica en zijn er andere organisatieprincipes aan de orde dan in het bedrijfsleven. Niet de eigen kosten en baten maar de vertegenwoordiging van maatschappelijke waarden staat centraal.
Een complicerende, maar structurele factor hierbij is dat de publieke sector sterk in beweging is. Deze beweging is zelfbewust en doelgericht, maar is ook sterk oriënterend van aard, op zoek naar de grenzen, kerntaken en richting van de publieke sector. Hier is niet zozeer de vraag aan de orde of we de dingen goed doen, maar of we de goede dingen doen. De beweging is grillig en intens van karakter. We vinden de veranderingen op veel verschillende plaatsen terug. Er vindt een heroriëntatie plaats van het ‘politieke bedrijf’, die onder andere zichtbaar is in de pogingen tot democratische vernieuwing op lokaal en rijksniveau. Politici zoeken naar nieuwe vormen van representatie en worstelen met politieke agenda’s. Nieuwe beginselprogramma’s, manifesten en andersoortige herijking van het politieke gedachtegoed geven vorm aan de heroriëntatie van de politiek. Het geeft de publieke sector een bijzondere dynamiek die gepaard gaat met intens publiek debat.
Naast de politieke, normatieve beweging is er ook sprake van een aantal grote organisatieveranderingen. Het Programma Andere Overheid is een verzamelnaam voor de talrijke initiatieven die zijn ingezet, onder andere gericht op meer integraal en effectief optreden en efficiënter werken. De relatie tussen beleid en uitvoering is opnieuw geproblematiseerd. Daarnaast zijn er verschillende ingrijpende administratieve operaties gaande of recent afgerond. We denken onder andere aan de invoering van de VBTB-systematiek, het baten-lastenstelsel, prestatiemanagement, shared service centers en grote ICT-operaties. Integriteit en naleving zijn in elke overheidsorganisatie actuele ‘nieuwe’ thema’s. Verder is er sprake van een ontwikkeling in de richting van een andere managementstijl waarbij de ‘mens achter de manager’ meer ruimte krijgt en de horizontale mobiliteit in het top-management van en tussen publieke organisaties sterk toeneemt.
Dit alles is te plaatsen in een brede ontwikkeling waarin de publieke sector op zoek is naar nieuwe verbindingen met een samenleving die in beweging is. Dat betekent een worsteling met heterogeniteit waarbij de primair op gelijkheid en eenvormigheid gerichte publieke sector met diversiteit moet leren omgaan. De samenleving is in beroering en de publieke sector moet enerzijds meebewegen, maar anderzijds sturing geven aan de verandering en soms zelfs ronduit weerstand bieden.
Groeien in een veranderende context
De bijzondere aard van de publieke sector en de veranderende context van publieke organisaties heeft consequenties voor de manier waarop professionals in hun rol kunnen groeien. Wanneer het uitgangspunt is dat publieke organisaties bijzondere organisaties zijn, met bijzondere doelstellingen, gebonden aan bijzondere normen, en zich daardoor wezenlijk onderscheiden van marktorganisaties, dan dient een masteropleiding voor de publieke sector uitgebreid aandacht te besteden aan deze unieke karakteristieken. Wij koesteren dan ook de diepe overtuiging dat de aard van de publieke sector om een specifiek opleidingsaanbod vraagt. Wij zijn van mening dat de persoonlijke ontwikkeling van publieke professionals van groot belang is en altijd in het teken dient te staan van het effectief verstaan en intelligent reageren op uitzonderlijk ingewikkelde maatschappelijke vraagstukken. Bijzonder is dat daarbij de legitimiteit van de overheid als democratische institutie altijd aan de orde is. Dit vergt een bijzonder soort masteropleiding, toegespitst op de eigenheid van de publieke sector.
De ontwikkeling van publieke professionals is er volgens ons op gericht om organisaties effectiever te laten optreden bij het oplossen van complexe vraagstukken op het gebied van beleid en management. Deelnemers ontwikkelen zich van specialist tot generalist, leren conceptueel denken en kunnen zich mede hierdoor snel inwerken in nieuwe onderwerpen. Zij leren bestuurlijke processen te doorgronden en hierin beter te functioneren. Ze bewegen zich gemakkelijker in het spel van politiek-ambtelijke verhoudingen, in veranderende, dynamische omgevingen en in ingewikkelde beleidscontexten. Daarnaast maken de deelnemers zich een variëteit aan vaardigheden eigen welke ze gericht leren inzetten. Het netwerk dat deelnemers opdoen is van belang voor hun verdere ontwikkeling. Tenslotte leren deelnemers te reflecteren op hun eigen gedrag en omgeving. Dit maakt het leerproces in principe continu en doorgaand, ook nadat de bul is behaald. Deelnemers leren niet alleen ‘iets’: ze veranderen en ontwikkelen zich. Een top-masteropleiding is in deze zin geen cursus, maar werkt vormend.
Competenties voor top-professionals
Binnen de veranderende context zijn wij van mening dat een publieke professional zich in een aantal competenties en expertisegebieden zou moeten bekwamen. De kern is dat wij het essentieel achten dat de publieke top-professionals van nu en straks enerzijds in persoonlijk opzicht robuust en reflectief zijn, en dat zij anderzijds in inhoudelijk opzicht ‘bij’ en ‘boven’ de grote vraagstukken waar het openbaar bestuur zich voor gesteld ziet zijn. Hierbij hoort dat zij kunnen redeneren met gedegen kennis van de manieren waarop in binnen- en buitenland al is, of wordt geprobeerd, om die vraagstukken op te lossen. Daarnaast vinden wij het van groot belang dat de publieke professionals zich realiseren dat de eigen organisatie niet het centrum van de wereld is en dat er andere werelden zijn waarmee de deelnemers indringend moeten kennismaken. We denken dan vooral aan de wereld van uitvoering en toezicht, de wereld van ‘multi-level governance’ (zowel subnationaal en supranationaal) en de wereld buiten het openbaar bestuur, burgers, bedrijven en de maatschappelijke omgeving.
Vanuit deze veronderstellingen zijn wij van mening dat publieke professionals over de volgende kennis, vaardigheden en competenties zouden moeten beschikken en dat een masteropleiding voor de publieke sector de ontwikkeling hiervan zou moeten ondersteunen:
-
- Inzicht in politiek-bestuurlijke processen;
- Inzicht in doorwerking van politieke rationaliteit in publieke werkorganisaties. Het kunnen doorzien van de politieke rationaliteit als verschillend van een functionele rationaliteit;
- Inzicht in organisatiedynamiek en groepsprocessen, zowel in de functioneel-rationele kant als in de sociale dynamiek van organisatieprocessen;
- Inzicht in het eigen handelingsrepertoire en de effectiviteit ervan, enerzijds op het niveau van de ‘skills’ en anderzijds op het niveau van het ‘self’;
- Inzicht in maatschappelijke dynamiek, kennis van de belangrijkste maatschappelijke vraagstukken en de daaruit volgende bijzonderheid van het publieke domein. Enerzijds de concrete gevolgen van de moderniteit, anderzijds de verschijningsvormen van de postmoderniteit;
- Inzicht in en kennis van de belangrijkste processen van internationalisering, primair de betekenis van de Europese integratie en institutievorming;
- Inzicht in sturing door de overheid en in de beperkingen daarvan. Dit betekent kennis van en inzicht in directe sturing maar ook van indirecte, procesmatige sturing;
- Inzicht in de doorwerking, mogelijkheden en beperkingen van systemen van prestatiemeting en ‘performance management’, op het niveau van het ontwerp van dergelijke systemen, maar ook het eigen functioneren binnen een dergelijk systeem;
- Inzicht in en kennis van de beginselen van enkele belangrijke ondersteunende academische disciplines, zoals het recht en economische wetenschap.
Vereisten voor een leeromgeving
Het ontwikkelen van dit type competenties vergt een bijzonder soort leeromgeving waarin we weg bewegen van de klassieke schoolse omgeving – waartoe we ook het reguliere academische onderwijs rekenen – naar een omgeving waarin niet het aanbod vanuit de opleiding maar de leerbehoefte centraal staat. Datgene dat opleidingsinstituten en universiteiten nu vaak tot het hart van opleidingen rekenen behoort dan ‘slechts’ tot de eerste vereisten: de ‘state of the art’ van kennis op uiteenlopende vakgebieden moet voor de deelnemers beschikbaar zijn. Het gaat daarbij om functionele kennis en technische kennis of expertise. Wanneer deelnemers spreken over ICT of outsourcing, dan moet daarover de meest actuele kennis direct beschikbaar, of ‘at arms length’ aanwezig zijn. Maar nogmaals, dat is slechts de eerste vereiste. Laten we voor het gemak veronderstellen dat deze op dit moment binnen alle instituten die masteropleidingen voor de publieke sector aanbieden in voldoende mate aanwezig is. Wat is dan wél een onderscheidend criterium om de keuze voor een opleidingsinstituut op te baseren?
De kern van de leeromgeving ligt volgens ons in het didactisch concept van het leertraject én in de manier waarop dat concept is uitgewerkt. Een mooie programmaformule bedenken is één ding, een programma daadwerkelijk vullen met hoogwaardige docenten die de formule concreet inhoud kunnen geven, is een andere opgave. Volgens ons moet een programma drie typen docenten omvatten:
- docenten die nationaal tot de bestuurskundige en sociaal-wetenschappelijke top behoren;
- gereputeerde buitenlandse wetenschappers en deskundigen;
- ‘reflective practitioners’, die jarenlange ervaring in de publieke sector hebben en deze ook kunnen overdragen.
Op basis hiervan zou de leeromgeving er ongeveer als volgt uit moeten zien.
Allereerst moet de deelnemer in staat gesteld worden om de eigen context te problematiseren, op eigen ervaringen te reflecteren en met nieuwe handelingsrepertoires te experimenteren. Hierin staat het individu centraal, maar staat het individu zeker niet alleen. Reflectie vergt interactie met anderen die in gelijksoortige leersituaties verkeren. Verscheidenheid is hierbij een deugd, omdat het gaat om de verrijking van de perspectieven. Niet het programma-aanbod, maar de groep bepaalt het uiteindelijke resultaat. Wij hechten er daarom zeer aan dat de leergroep een gemengde achtergrond heeft, bijvoorbeeld afkomstig uit verschillende onderdelen van de publieke sector, met een mix van functies.
Daarnaast is binnen het didactisch concept een visie op de verbinding tussen theoretische kennis, praktische kennis en de eigen praktijkervaring van deelnemers noodzakelijk. Deze verschillende soorten kennis, expertise en ervaring zijn niet vanzelfsprekend synergetisch. Hiertoe zijn werkvormen nodig die verder gaan dan af en toe een werkcollege of periodiek een toepassingsdag. En niet elke ervaring van elke practitioner is voor het leerproces relevant, of heeft generaliseerbare waarde. Op dezelfde manier is ook niet elk theoretisch concept of academisch werk voor de professional relevant. De verbinding tussen theorie en praktijk vergt dan ook een doordachte programmaopzet met uitgekiende en beproefde werkvormen en een corps van docenten en practitioners dat in staat is om tussen niveaus en disciplines te schakelen.
Als derde is er volgens ons nog een op het eerste gezicht vreemde spanning aan de orde. Wij menen dat een intensief leertraject spannend moet zijn. Het moet op momenten ‘botsen’ met wat deelnemers voor waar aannemen, met datgene waarbij ze zich gemakkelijk voelen. We koppelen dit, wat demagogisch, aan een uitspraak van Mario Andretti: "If you think you are in control, you are not driving fast enough". Als het leerproces deelnemers gemakkelijk afgaat dan is dat een teken dat het niet grondig genoeg is. We benoemen dit als het verschil tussen kennis stapelen en kennis verbinden. Kennis stapelen is spannend omdat het tijd en ‘stampwerk’ kost. Het ‘doet’ echter niets met bestaande kennis.
Het verbinden van kennis en het reflecteren op bestaande kennis is spannend en spanningsvol, omdat het botst met wat de deelnemer al weet, of denkt te weten. Het botst met wat de omgeving de deelnemer opdraagt, met wat gemeengoed is en met wat de deelnemer in normatieve zin altijd al vond. Ook hier geldt weer dat dit proces individueel is, maar niet plaats kan vinden zonder hulp van anderen. Andere deelnemers, docenten en practitioners helpen hierbij. Zij zijn de medeveroorzakers van de spanning én helpen vervolgens met het opnieuw plaatsen van de indrukken, het opnieuw ordenen van kennis en het opnieuw doordenken van de eigen normatieve schema’s. Het is onze ervaring dat het type deelnemers dat aan executive mastertrajecten deelneemt deze spanning, het tegenspel van anderen en de intellectuele uitdagingen zeer waardeert en zelfs als ontspannend ervaart. De collegezaal is dan tot studiehuis geworden waarin deelnemers wekelijks komen voor reflectie en ontwikkeling.
Samengevat moet wat ons betreft de leeromgeving voor professionele ontwikkeling dus een aantal schijnbare tegenstellingen verenigen:
- elke deelnemer doorloopt een individueel leertraject maar wél ‘en groupe’, in een veelvormige leergroep, begeleid door bewezen top-docenten en ‘reflective practitioners’;
- niet elke theorie of elke praktijkervaring is relevant. Het type professional dat in aanmerking komt voor een ‘executive masteropleiding’ heeft behoefte aan werkvormen, leerstof en docenten die de verbinding tussen theorie en praktijk kunnen aanbrengen en die vervolgens in staat zijn om dit weer te verbinden met, of te vertalen naar, de praktijkervaring van de deelnemers;
- de deelnemer leert in de eerste fase van de opleiding niet zozeer ‘bij’, maar leert vooral ‘af’, door reflectie op het eigen handelingsrepertoire. Het gaat om het unfreezen van datgene wat voor waar werd aangenomen, in de breedste zin van het woord. Hierdoor ontstaat ruimte voor verdieping die het bestaande in een ander perspectief plaatst en die de weg opent naar nieuwe kennis en inzicht;
- het leerproces moet spannend zijn, het mag deelnemers niet gemakkelijk worden gemaakt. Het denkproces houdt niet op als de bijeenkomst geweest is of het huiswerk gedaan. Sterker nog, dan begint het pas. De leeromgeving moet dit proces ‘laten gaan’ en mogelijk maken, maar niet ‘laten lopen’. Begeleiding is nodig. Daarnaast moet de logistieke ondersteuning van het leerproces uitstekend op orde zijn: het programma moet tijdig bekend zijn, deelnemers moeten op lange termijn kunnen plannen, de studielast moet scherp gehandhaafd worden, materiaal moet tijdig beschikbaar zijn en de leeromgeving moet om kunnen gaan met de wensen en verzoeken van de drukbezette moderne overheidsmanager.
Selectie en het probleem van de studiegids
Als we het bovenstaande serieus nemen, dan moeten we concluderen dat het voor professionals die zich oriënteren op het volgen van een masteropleiding nauwelijks mogelijk is om dat op basis van een studiegids te doen. Dit soort publicaties zullen u behulpzaam zijn bij een eerste selectie, maar wij raden u sterk aan om tijdens uw zoektocht ook vooral een slag dieper te gaan. U kunt bijvoorbeeld oriënterende gesprekken voeren met de verschillende opleidingen die u interessant en passend lijken, voorlichtingsdagen bijwonen of studiemateriaal en programma’s inzien. Gesprekken met docenten, decanen en oud-deelnemers leren u meer over de opleiding dan de op het oog altijd ‘glossy’ en fraaie studiegids. De essentie van de opleiding, zoals wij deze hebben omschrijven, ligt niet in de papieren werkelijkheid, maar in de praktijk van de collegedagen. U zult een manier moeten vinden om de vinger achter deze praktijk te krijgen. De mate waarin het opleidingsinstituut in staat is u te woord te staan en te ondersteunen in uw zoekproces is wat ons betreft al veelbetekenend voor de opleiding die u te wachten staat. Wij wensen u veel succes met uw zoektocht!
Over de auteurs:
prof. dr. P.H.A. Frissen is decaan van de NSOB, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en bestuurskundig adviseur.
prof. dr. M.J.W. van Twist is decaan van de NSOB, hoogleraar aan de Radboud Universiteit van Nijmegen, collegelid in buitengewone dienst van de Algemene Rekenkamer en directeur van Berenschot Procesmanagement.
drs. M. van der Steen is projectmanager van de opleiding Master of Public Administration van de NSOB en is werkzaam als onderzoeker.
